Wetenschap en beleid

Wat testosteron echt doet met het vrouwelijk lichaam — en wat een te grote stap is

Een Genspect-essay somt de blijvende lichamelijke effecten van testosterontherapie bij vrouwen op en verwijst naar onderzoek dat een dalende empathie zou aantonen. De officiële richtlijn erkent de fysieke effecten zelf al. Het empathie-onderzoek dekt de lading minder goed dan het essay suggereert.

Robin JonesBron: alfabetbende.nl
Wat testosteron echt doet met het vrouwelijk lichaam — en wat een te grote stap is

Testosterontherapie bij vrouwen die als man door het leven willen, verandert het lichaam blijvend: een lagere stem, meer lichaams- en gezichtsbeharing, soms mannelijke kaalheid, een vergrote clitoris. Dat schrijft Robin Jones, gepensioneerd verloskundige en lactatiekundige met een master in bio-ethiek, op 7 september 2026 in een essay voor Genspect. Ze voegt er een verstrekkender claim aan toe: testosteron zou ook het inlevingsvermogen van vrouwen aantasten, onderbouwd met een verwijzing naar onderzoek in het vakblad PNAS. Wie de fysieke claims naast de officiële richtlijn legt en het aangehaalde onderzoek zelf opzoekt, ziet twee heel verschillende gevallen: het ene stevig, het andere overtrokken.

De fysieke effecten: geen geheim, wel onderbelicht

Dat stemverdieping, beharing en clitorisgroei grotendeels onomkeerbaar zijn, is geen ontdekking van criticasters. De Endocrine Society noemt deze effecten zelf "largely irreversible" in haar Clinical Practice Guideline uit 2017 over de endocriene behandeling van mensen met genderdysforie — de richtlijn die wereldwijd als standaard geldt, ook in de Nederlandse en Vlaamse praktijk. Het punt van kritiek zit dus niet in verborgen informatie, maar in de vraag of iemand die aan een behandeling begint, op het moment van instemmen ook echt beseft wát er onomkeerbaar is: niet alleen het uitblijven van menstruatie, maar een stem die nooit meer terugkeert naar de oorspronkelijke toonhoogte, en een lichaam dat blijvend anders reageert op ingrepen zoals een latere zwangerschap.

Jones wijst er in haar essay terecht op dat de counseling vaak wél over vruchtbaarheid gaat, maar zelden uitgebreid over deze cumulatieve, zichtbare veranderingen — laat staan over wat ze betekenen voor iemand die na verloop van tijd toch twijfelt. Dat is een informed-consent-vraag, geen medisch-feitelijke controverse: de richtlijn erkent de effecten, de vraag is of de klinische praktijk ze even duidelijk benoemt.

De empathie-claim: wat het onderzoek echt zegt

Voor de stelling dat testosteron het inlevingsvermogen van vrouwen aantast, verwijst Jones naar een studie van psycholoog Jack van Honk en collega's, gepubliceerd in 2011 in PNAS. Die studie bestaat echter uit een eenmalige testosterondosis toegediend aan 16 jonge, cisgender vrouwen in een gecontroleerde laboratoriumsetting, waarna hun vermogen om emoties af te lezen aan de ogen van anderen (de "Reading the Mind in the Eyes"-test) tijdelijk verminderde — sterker naarmate hun vingerlengte-verhouding op meer prenatale testosteronblootstelling wees.

Dat is iets anders dan aantonen dat maandenlange of jarenlange hormoontherapie bij mensen die transitioneren het inlevingsvermogen blijvend aantast. Er is geen longitudinaal onderzoek bij die groep dat dezelfde uitkomstmaat volgt. Eén acute dosis bij een kleine steekproef cisgender vrouwen in een laboratorium extrapoleren naar blijvende karaktereffecten bij mensen die langdurig hormoontherapie gebruiken, is een stap die het onderzoek zelf niet dekt. Daarmee is de claim niet weerlegd — een aannemelijk werkingsmechanisme via testosteronreceptoren in de hersenen bestaat wel degelijk — maar wel voorbarig als hij als vaststaand feit wordt gepresenteerd.

Waarom dat onderscheid ertoe doet

Voor een kritisch platform is dit onderscheid geen bijzaak. Wie overdrijft waar de data dat niet toestaan, ondermijnt het overtuigingskracht van de claims die wél stevig staan. De fysieke, grotendeels onomkeerbare effecten van testosteron hoeven niet aangedikt te worden met een te snel getrokken conclusie over empathie — net zoals eerder al bleek dat de richtlijnen zelf onder druk staan van belangenverstrengeling, staat ook kritische berichtgeving onder de plicht om precies te zijn over wat onderzoek wel en niet aantoont. Voor de mensen om wie het gaat is dat niet abstract: lichamelijke veranderingen die niet worden teruggedraaid, hebben ook jaren later nog gevolgen, tot in intieme relaties toe.

Een uitgebreider, doorlopend bijgewerkt overzicht van de medische risico's per hormoon — inclusief de afzonderlijke dossiers over testosteron op het gebied van cardiovasculair risico en gynaecologische effecten — staat op het cijferdossier van Genderrisico.nl, met per claim de onderliggende peer-reviewed bron.

Wat dit betekent voor de counseling

Het eindoordeel is tweeledig. Op de fysieke effecten heeft Jones gelijk, en dat is geen verrassing voor wie de eigen richtlijn van de beroepsgroep leest — het is wel een terechte herinnering dat "largely irreversible" in een medisch document iets anders overkomt dan in een gesprek aan de keukentafel. Op de empathie-claim gaat ze verder dan het bewijs toelaat. Voor informed consent is precies dit onderscheid cruciaal: iemand die een beslissing neemt, heeft baat bij een eerlijke weergave van wat vaststaat en wat nog een hypothese is — niet bij een verzameling claims die door elkaar lopen alsof ze evenveel bewijskracht hebben.

Bronnen

Robin Jones, "What Does Testosterone Do to the Female Body?", Genspect, 7 september 2026: https://genspect.org/what-does-testosterone-do-to-the-female-body/.

W.C. Hembree e.a., "Endocrine Treatment of Gender-Dysphoric/Gender-Incongruent Persons: An Endocrine Society Clinical Practice Guideline", Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism, vol. 102, nr. 11, 2017, p. 3869-3903. DOI: 10.1210/jc.2017-01658. Gearchiveerde versie: https://web.archive.org/web/2023/https://academic.oup.com/jcem/article/102/11/3869/4157558.

J. van Honk e.a., "Testosterone Administration Impairs Cognitive Empathy in Women Depending on Second-to-Fourth Digit Ratio", PNAS, vol. 108, nr. 8, 2011, p. 3448-3452. DOI: 10.1073/pnas.1011891108. Gearchiveerde versie: https://web.archive.org/web/2024/https://www.pnas.org/doi/10.1073/pnas.1011891108.

Edward Jansen

Edward Jansen

Veelgestelde vragen